| 1. |
De stalking begint. Het slachtoffer ontkent het probleem en begint vanuit een gevoel van machteloosheid onderhandelingen. Als ik even met hem praat, laat hij me wel met rust. Zij zegt: Gun me een maandje rust. Dan is alles weer duidelijk voor me. De dader hoort echter wat anders: Over een maand komt alles weer in orde. Dan wordt het weer zoals ik wil. Na die maand zegt ze nog steeds dat ze er niet uit is.
|
| 2. |
Het probleem is versterkt. De dader maakt stampij. Hij heeft de situatie niet onder controle.
|
| 3. |
Het slachtoffer krijgt achtervolgingswaanzin: ze doet het licht niet aan, durft de gordijnen niet open te doen en heeft evenmin de moed de telefoon aan te nemen.
|
| 4. |
Het slachtoffer raakt vermoeid. Ze krijgt een depressie, wat gepaard gaat met innerlijke en uiterlijke verwaarlozing: ze verzorgt zich niet meer, draagt een slobbertrui, denkend: als ik er maar onaantrekkelijk uitzie, laat hij me wel met rust. De dader denkt echter: mijn pogingen hebben succes. Ze heeft het er moeilijk mee.
|
| 5. |
Het slachtoffer ontwikkelt een schuldbesef: Het is mijn fout.
|
| 6. |
Het-bijna-te-laat-stadium. Het slachtoffer wordt zo boos, dat ze er alles voor over heeft de belaging te stoppen. Ik rij ‘m dood en ik pak een mes, zijn veel voorkomende gedachten. Ondertussen krijgt hij ook dergelijke gedachten, in de wens zijn slachtoffer voor altijd ‘aan zich te binden’.
|
| 7. |
A) Het slachtoffer zoekt hulp, bij een bureau voor slachtofferhulp, een riagg of politie.
B) De dader is eerder. Hij doodt zijn slachtoffer
|
| 8. |
Dader en slachtoffer worden intensief begeleid. De hulpverlening heeft succes.
|